Beter schaken (2)

De tweede les van Herman van Engen in de serie Beter Schaken. Onze clubkampioen heeft weer een kloek werkstuk ingeleverd.

In deze les bespreekt hij een klassieker, een partij tussen Winawer en Lasker, die Herman langs de meetlat legt van de beginselen van Steinitz, de grondlegger van het moderne schaak. Bepaald geen lichte kost, maar zeer de moeite waard.Herman geeft ook tips hoe je de partij het handigst kunt naspelen en hoe je de oefenstof het beste  tot je kunt nemen.

 

Beter schaken door Herman van Engen

 

Overwicht in materiaal

Inleiding

Het is me ondertussen duidelijk geworden dat ik een uitdagende opdracht begonnen ben. Dat geldt niet alleen voor mij, maar natuurlijk ook voor mijn ‘volgers’.  We moeten onze doelstelling beperken tot kennismaken met het boek van Herman Grooten, Chess Strategy for Club Players.  Deze les gaat over de kenmerken van de stelling, tijdelijke en permanente voordelen, en in het bijzonder Overwicht in materiaal. De eerste twee lessen zijn tamelijk uitgebreid, omdat ik gebruik kan maken van materiaal dat ik eerder verzameld heb. De volgende lessen zullen korter zijn.

Drie keer

Ik heb 12 partijen uit 11 hoofdstukken geselecteerd. Het naspelen van partijen is een kunst op zich. Een suggestie hoe dit aan te pakken is om een partij drie keer na te spelen. Dit hoeft niet achter elkaar, het kan ook gespreid over de week.
Speel de eerste keer de partij na zonder te letten op varianten of commentaar. Probeer iets van de rode draad van de partij te snappen.
Speel de tweede keer de partij na met als vraag “Wat zou ik doen?” Stop in ieder geval bij kritieke momenten in de partij, die ik vanaf nu zal aangeven met drie sterren: * * *.
De derde keer kun je het commentaar en de varianten bestuderen, maar doe dit met mate. Het doel is dat je de ideeën achter de zetten begrijpt, de varianten moeten aantonen dat het klopt, maar voor het begrip heb je ze niet nodig.

De elementen van Stein

De basis van de theorie van Steinitz vormt de beoordeling van de stelling. Als antwoord op de vraag waarnaar we kunnen (moeten) kijken geeft Grooten de volgende tabel, ontleend aan Steinitz en Lasker. Het zijn tevens de titels van de hoofdstukken van zijn boek.

Permanente voordelen:

  • Materieel voordeel
  • Verzwakte koningsstelling
  • Vrijpion in het middenspel
  • Zwakke pion(nen) (bij de tegenstander)
  • Sterke en zwakke velden
  • Groepjesregel
  • Sterk pionnencentrum
  • Loperpaar
  • Controle van een lijn
  • Controle van een diagonaal
  • Controle van een rij

Tijdelijke voordelen:

  • Stuk buitenspel
  • Gebrek aan harmonie
  • Ontwikkelingsvoorsprong
  • Centralisatie
  • Ruimtevoordeel

In een bijlage heb ik de beschrijving van de leer van Steinitz door Euwe overgenomen, uit het boek “Veldheerschap op 64 velden.” Kernwoorden zijn positioneel evenwicht, tijdelijke en blijvende voordelen, accumulatie van voordelen, aanval en verdediging. Accumulatie van voordelen betekent dat je een klein voordeel probeert uit te breiden naar een groter voordeel. Het is logisch dat als je beter staat je mogelijkheden hebt om nog beter te staan. De omgekeerde gedachte biedt troost voor als je slechter staat: de beter staande partij kan zijn stelling niet verbeteren, de verdedigende partij wel.

In een voorloper van het genoemde boek van Euwe (Den Hertog-Euwe, Praktische Schaaklessen, deel 4) gaat Euwe dieper in op de leer van Steinitz.

“De grondstelling van Steinitz luidt: maak een plan, dat overeenstemt met de positie.
De eisen van de positie worden bepaald door verschillende kenmerken.”

Bij de beschrijving van de kenmerken komen sommige (bijna) letterlijk overeen met de lijst, zoals gegeven door Grooten: voorsprong in ontwikkeling, onveilige koningsstelling, zwakke punten (velden), open lijnen, loperpaar, materieel overwicht.

Andere kenmerken worden net even anders beschreven: grootste beweeglijkheid, de bezetting van het centrum, de positie van de pionnen (verbonden pionnen, geïsoleerde pionnen, dubbelpionnen), pionnenmeerderheid op de damevleugel. Beweeglijkheid of mobiliteit is een interessant en veelzijdig begrip. Bij de eerste computerprogramma’s die konden schaken werd dit begrip vertaald als het maximaliseren van het aantal velden, dat door de witte (of zwarte) stukken bestreken wordt. Er is een duidelijke samenhang met ruimtevoordeel.

Praktische shortlist

Een lijst met meer dan 10 kenmerken is wat lang om tijdens de partij of zelfs tijdens een training toe te passen voor de beoordeling van een stelling. Grooten maakt daarom gebruik van een lijst van zeven kenmerken uit een boek van Karpov/Mazukewitsch. De titel van het boek, in het Duits “Stellungsbeurteilung und Plan”, is bijna gelijk aan die van een ander beroemd boek van Euwe: Oordeel en Plan.

  1. Materiaalverhouding
  2. Onmiddellijke dreigingen
  3. Koningsstelling
  4. Beheersing open lijnen
  5. Pionnenstructuur, zwakke en sterke velden
  6. Centrum en ruimte
  7. Ontwikkeling en opstelling van de stukken

We kunnen de punten 4, 5 en 6 samenvatten als pionnenstructuur. We houden dan 5 punten over, praktisch gelijk aan die van Fine in zijn klassieke boek Het Middenspel (in het Nederlands 2 delen). Dit is gemakkelijk te onthouden: we tellen materiaal, letten op dreigingen en andere tactische wendingen, Koning, Pionnen, Stukken. Uiteindelijk gaat het erom te ontdekken welk kenmerk in de stelling dominant is, waar gaat het om in deze stelling. Bijvoorbeeld in de partij Magerramov-Kasparov uit les 1 ging het om de onveilige koningsstelling, koning in het midden.

Nog een klein voorbeeld uit de les. Na de openingszetten 1.e4 e6 2.Pf3 d5 3.exd5 exd5 4.d4 Pf6 speelde wit 5.Lg5.  Opgemerkt kan worden dat zwart met 1…e6 (Franse verdediging) d7-d5 wil spelen om wits e-pion aan te vallen en na ruil op d5 met de pion wil terugslaan. 2.Pf3 is in dit geval een ontwikkelingszet  zonder bijzonder plan. Na d7-d5 kiest wit voor de Ruilvariant. Het dominante kenmerk van de stelling is dan de open e-lijn. Als je dat doorhebt wil je zo snel mogelijk kort rokeren en wellicht een toren op de e-lijn zetten. We snappen nu het ‘normale’ vervolg 5.Ld3 Ld6 6.0-0 0-0. Na 5.Lg5 is het gezonde antwoord 5…Le7 en 6…0-0. Als we iets dieper analyseren kan zwart voor of na de rokade 6…h6 7.Lh4 Ph5 spelen. Ph5 is geen gezonde zet, want zwart speelt voor de tweede keer met zijn paard en ook nog naar de rand! Maar op deze manier maakt zwart gebruik van de zwakte van vel f4. In de partij speelde zwart 5…h6 en na 6.Lh4 zelfs 6…g5 7.Lg3 Pe4. Misschien is dit wel speelbaar, uiteindelijk won zwart ermee. Maar raadpleging van een openingsboek leerde mij dat 5…h6?! weerlegd kan worden door 6.De2+! Op 6…Le7 of 6…De7 volgt 7.Lxf6 en zwart krijgt een geïsoleerde dubbelpion. Op 6…Le6 volgt 7.Lxf6 Dxf6 8.Db5+ of eerst 7.Db5+ en wit wint een pion.

Dezelfde open e-lijn speelt ook een belangrijke rol in de Russische verdediging. 1. e4 e5 2.Pf3 Pf6 3.Pxe5 d6 4.Pf3 Pxe4 5.d4 d5 6.Ld3 en 7.0-0. Niet goed is onmiddellijk 3…Pxe4 wegens 4.De2 en wit wint tenminste een pion. Na 4…Pxe4 5.De2 kan 5…De7 volgen en dan geeft 6.d3 Pf6 7.Lg5 wit een klein voordeeltje. Met 5.d3 Pf6 6.d4 kan wit overgaan naar de Ruilvariant van het Frans.

Winawer-Lasker

De partijen die ik uitgekozen heb zijn allemaal juweeltjes. Deze partij van Lasker is een van mijn favorieten. Op een fantastisch heldere manier worden verdediging en aanval gecombineerd. Om een partij te winnen is de gebruikelijke weg het winnen van materiaal. Het gevaar bestaat dat door het slaan van een pion de harmonie in de opstelling van de stukken verloren gaat. Zoals bij judo waar een aanval leidt tot verstoring van het evenwicht en de tegenstander met een tegenaanval de strijd kan beslissen. Nu is materiaalvoordeel meestal een permanent voordeel en gebrek aan harmonie een tijdelijk nadeel. Dus als het lukt de stukken weer te laten samenwerken blijft het materiaalvoordeel over en is er sprake van duidelijk voordeel.
In de partij van Lasker gaat de zwarte dame op pionnenroof, maar zij staat niet buiten spel want zij kan tegelijkertijd een hoofdrol spelen bij de verdediging. De eerste teststelling is na de 17e zet van wit. De tweede komt na de 20e zet van wit. Deze stelling heb ik jaren gelden uitgespeeld in een kloksimultaan tegen drie pupillen. Als curiositeit publiceer ik deze partijtjes. De derde teststelling is na de 30e zet van wit.

De leer van Steinitz

(uit: Euwe, Veldheerschap op 64 velden)

Steinitz is opgegroeid in de bloeitijd van het gambietspel en werd aanvankelijk ook een gambietspeler, echter met weinig enthousiasme. Zijn kritische aanleg deed hem al vroeg aan de juistheid van de gambieten twijfelen. Tijdens menige scherpe aanvalspartij, die hij won, had hij het gevoel eigenlijk slechter te hebben gestaan en afhankelijk te zijn geweest van de gratie van de tegenstander. En ofschoon deze gratie ook vaak werd verleend, onvrijwillig natuurlijk in de vorm van verkeerde verdediging, schonk dit Steinitz toch geen voldoening.

Rijp voor de aanval

Weliswaar moet men trachten aanval te verkrijgen, maar – zo concludeerde Steinitz – de aanval mag slechts beginnen, als de stelling er rijp voor is, anders moet men het eventuele afslaan van de aanval positief voordeel voor de tegenpartij met zich meebrengen.

De beginstelling nu is stellig niet “rijp voor de aanval”, en daarom keurde Steinitz het in beginsel af, reeds in de opening scherp op aanval te spelen en te dien behoeve materiaal te offeren.

Steinitz heeft het begrip van het positionele evenwicht ingevoerd. In het algemeen zullen in elke positie voordelen voor beide partijen kunnen worden aangewezen. Indien deze voordelen elkaar ten naaste bij opheffen, is de stelling in evenwicht.

Beide spelers zullen trachten de nadelen van hun positie te doen verdwijnen, bijv. door het beter opstellen van de stukken of door het oplossen van een dubbelpion, en tegelijkertijd streven naar vermeerdering en vergroting van de voordelen.

Men moet dus beproeven, het evenwicht van de stelling ten gunste van zichzelf te verbreken. Bij deze pogingen is geleidelijkheid geboden; geforceerde ondernemingen leiden in de regel tot nadeel.

Bij beiderzijds correct spel gaan evenwichtige stellingen automatisch over in nieuwe evenwichtige stellingen. Dus niet wordt het evenwicht verstoord door het eigen goede spel, maar door de fouten van de tegenstander. Hierin ligt opgesloten de veroordeling van de vroegere mening, dat elke positie in de aanval kon worden gewonnen, als men maar sterk genoeg speelde, d.w.z. als men het evenwicht door eigen kracht wist te verbreken.

Steinitz leert verder, dat de aanval pas correct is, als het evenwicht der stellingen belangrijk is verstoord; eerst dan mag men aanvallen. Maar niet alleen mag maar ook moet, anders gaat het voordeel verloren. Lasker zag hierin een grote filosofische gedachte van Steinitz.

Zwakste punt

De praktijk bevestigt dat dit  moet. Als men te lang weifelt en blijft afwachten, hoewel de kansen reeds schoon zijn, bemerkt men spoedig, dat de verdere consolidatie hokt en het proces juist in tegengestelde richting gaat verlopen. Men moet de gelegenheid op het goede ogenblik weten te benutten! Steinitz geeft de aanvaller de raad, steeds het zwakste punt van de vijandelijke stelling aan te tasten, terwijl hij de verdediger voornamelijk waarschuwt voor overdreven passiviteit en verzwakkende zetten met pionnen.

De juiste toepassing van dergelijke algemene regels is een lastige taak.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *