Clublokalen

Uit de schaakhistorie: de clublokalen van het HSG (1)

Het HSG werd op 28 september 1887 opgericht in –het zij nog maar eens gezegd- hotel “Het Gooiland” aan de Emmastraat 2a. De (latere) eigenaar van “Gooiland”, J.H. Veen stelde de gelagkamer van zijn hotel gratis ter beschikking en mede daardoor kon de contributie laag worden gehouden, n.l. slechts f 2,– per jaar. Maar het HSG beschikte ook over andere inkomsten t.w. één gulden entreegeld voor nieuwe leden, tot 1899 een boete van één dubbeltje voor iedere keer, dat men de clubavond verzuimde en een van f 0,10 tot f 0,50 variërend inleggeld voor het onderling concours, waaruit de prijzen werden bekostigd. Dit heeft met enkele onderbrekingen tot 1947 geduurd; in 1957 werd het opnieuw ingevoerd, maar liep door incassoproblemen op een mislukking uit. Het entreegeld ad onveranderd één gulden werd voor het laatst in het seizoen 1946/47 geheven.

Het schaken was in de beginjaren meer op gezelligheid dan op scoren gericht en er zal tijdens de partijen wel meer alcohol zijn genuttigd dan nu, toch zullen de consumpties der schakers voor Veen ontoereikend zijn geweest om zijn kosten goed te maken en zijn wens om zaalhuur te ontvangen werd alleszins gerechtvaardigd geacht. Vanaf 1 april 1893 kreeg hij jaarlijks  f 20,–; die konden probleemloos uit de contributies betaald worden en wanneer door bijzondere gebeurtenissen als ééndaagse wedstrijden, jubilea, simultaans of de aanschaf van klokken een tekort dreigde, waren er altijd wel leden –met name Jacob Peet, E. Brandsma en in mindere mate J.F. van Houtum-, die voor aanzuivering zorgden; een contributieverhoging was dus niet nodig. Bij een voorstel tot huurverhoging in 1899 ontstond een in “oprichters” nr. 6 beschreven conflict, wat er toe leidde, dat het HSG op 17 oktober 1900 zijn intrek nam in het aan de Spoorstraat 1 gelegen “Wilhelmina” hotel.

De jaarhuur kwam uit op f 30,–, waartegenover de hotelhouder zich o.a. tot het volgende verplichtte: “De verhuurder draagt zorg voor en belast zich met het bewaren van de eigendommen van het Genootschap; hij zorgt voor het gereed staan van schaakborden en doozen, benevens klokjes bij den aanvang van den schaakavond en zoo noodig met het weder wegbergen”. Dat waren nog eens tijden!

Overigens waren de meeste leden niet erg gelukkig met de slecht te verwarmen speelzaal in hotel “Wilhelmina”; wie dicht bij de kachel zat, pufte van de warmte, wie verder weg zat, kon de winterjas aanhouden. Men was dan ook zeer gelukkig, dat “Gooiland” weer beschikbaar kwam; Veen had in 1902 z’n hotel verkocht aan de uit Amsterdam afkomstige J. Dieckman, die aan het hotel zijn eigen naam had verbonden.


De schakers waren bij hem welkom en hij stond zijn gelagkamer voor eveneens f 30,– per jaar af; september 1903 vond de verhuizing plaats. De vreugde was evenwel van korte duur: één jaar later verkocht Dieckman het hotel aan C.A.M. Opmeer, tot dan restaurateur van de toen in een gedeelte van het “Hof van Holland” gevestigde Sociëteit “De Unie” en tevens beheerder van het “Nimrod Paviljoen”. Hij stelde twee daden: het hotel kreeg z’n oude naam “Het Gooiland” terug en het HSG werd de deur gewezen.

Geen nood echter, G.L. de Jong, hotelhouder van het even verderop aan de Emmastraat 14, hoek Luidgardeweg gelegen hotel “De Gouden Leeuw” deed het aanbod één van zijn lokalen voor de schaakclub in te richten, ook weer tegen een jaartarief van f30,–.


Afgezien van de wat brede tafels, zat men daar niet slecht, maar toch werd één jaar later opnieuw verhuisd, nu om een financiële reden.

Het lid A. Sandmann, hotelier van het hotel “Emma” aan de Emmastraat 54 bood aan om het HSG gratis onderdak te verlenen in zijn restaurant en zo’n genereus aanbod kon men natuurlijk niet afslaan.


Emma was getuige van vele massakampen, ééndaagse wedstrijden en vooral van de uitbundige viering van het twintigjarig bestaan in 1907, waarbij Jacob Peet tot erelid werd benoemd. Ook Sandmann moest ervaren, dat aan schakers niets te verdienen valt en daarom kwam hij in oktober 1909 met de gerechtvaardigde wens om  f 45,– zaalhuur te mogen ontvangen. Dat kon bruin niet trekken, waarop men het eens werd op f 30,– en het hogere bedrag, gezien de kas, in gedachten werd gehouden. Daar bleef het bij, alleen de kelner kreeg regelmatig een fooitje voor het opbergen van borden, stukken en klokken. Maar aan het eind van het seizoen 1911/12 sloeg het noodlot toe: Sandmann verhuisde naar Zandvoort en zijn opvolger maakte van het hotel een pension en sloot het café-restaurant.

Na zeven gelukkige jaren moest weer naar een ander onderkomen worden omgezien.
Dat werd hotel “De Doelen”, gelegen op de hoek van de Groest en de Leeuwenstraat. Op onderstaande foto is links het rechtergedeelte van het hotel te zien.


De zaalhuur bedroeg hier f40,– per jaar, maar het volgende seizoen werd liefst 75,– verlangd. Het bestuur kreeg opdracht naar een andere lokaliteit om te zien, maar dat bleek niet eenvoudig en Mevr. Wed. de Boer, hotelhoudster

 

van “de Doelen” bleek slechts tot prijsvermindering bereid, indien de schuifdeuren na elf uur en ‘s zomers de gehele avond open mochten. Dan nam ze genoegen met f 50,–. Maar met het lawaai van en omringd door de cafébezoekers zag men het schaken niet zitten en noodgedwongen slikte men de prijsverhoging. Dit kon natuurlijk niet zonder contributieverhoging en op voorstel van Meijer werd besloten het toch al lage bedrag van f 2,– op f 5,– per jaar te brengen. In het gedenkboekje bij ons 100-jarig bestaan wordt onder het hoofdstuk “Clublokalen” als eerste genoemd “Lunchroom de Boer”, destijds op de hoek van de Leeuwenstraat en de Groest, waar Martin Ros in “Wij in Hilversum” van september 1962 al eerder aan had toegevoegd: “waar nu de “Boekenwurm’ zetelt”. Dat is exact de plek waar “De Doelen” stond en staat; die naam is nog altijd te zien in een tegeltableau aan de zijde van de Leeuwenstraat. Noch in het notulenboek, noch in de adresboeken van Hilversum heb ik een “Lunchroom de Boer” kunnen vinden; ik vermoed, dat de naam van de hotelhoudster en mogelijk de latere “IJssalon de Boer” aan de overkant op de Groest aan die benaming debet zijn. Tijdens de eerste wereldoorlog kwam Mevr. Wed. de Boer en met haar vele hotel- en pensionhouders, alsmede verhuurders van gemeubileerde woningen in de problemen. Er kwamen natuurlijk minder vakantiegangers, maar vooral het wegblijven van verlofgangers uit Nederlands Indië, die in groten getale op Hilversum plachten neer te strijken, bracht vele bedrijven in moeilijkheden. Het hotel “De Doelen” overleefde de oorlog niet; Mevr. Wed. de Boer begon in 1919 een sigarenwinkel aan de Groest nr. 41. In het hotel vestigde zich het bankierskantoor Oyens, dat in de latere crisisjaren zijn deuren moest sluiten; daarna was er enkele decennia het antiquariaat “De Boekenwurm” gevestigd. Thans zit in het pand weer een horecagelegenheid, die men met een beetje goede wil een lunchroom zou kunnen noemen.

Ondanks de contributieverhoging sloot de penningmeester het boekjaar 1913/1914 af met een negatief resultaat van f 48,63½, waarna hij nog een kassaldo van  f  3,34½ overhield. Als eerste bezuinigingsmaatregel werd besloten te verhuizen naar het goedkopere hotel “Central” en als tweede het lidmaatschap van de Nederlandsche Schaakbond op te zeggen, waarmee f 6,50 werd bespaard. Hotel “Central” was te vinden aan de Kerkstraat 14, op de foto onder boven de boekwinkel van Blommesteijn.


Bij het ontbreken van een benedenverdieping kon men moeilijk spreken van een klassehotel en dat was het ook niet, gezien enkele gegevens uit een VVV-gids van 1922: Hotel “Central” 9 kamers, 12 bedden, geen badkamer, vol pension f 6,–; “Emma-Pension” 14 kamers, 30 bedden, 2 badkamers, vol pension f 7,–; Hotel “Het Gooiland” 24 kamers, 32 bedden, 1 badkamer, vol pension f 7,50; Hotel “Hof van Holland” 25 kamers, 50 bedden, 2 badkamers, vol pension f 10,–. Vanaf 4 november 1914 verbleef men in de bovenzaal van hotel “Central” à raison van f 1,– per avond.
Hoewel de schakers het daar naar de zin hadden, geneerde men zich toch voor het schamele onderkomen, vooral tegenover bezoekers, die twee trappen moesten beklimmen om het speellokaal te bereiken. Toen, als onderdeel van de viering van het 30-jarig bestaan, een weekendtoernooi op het programma stond, besloot men “Central” te verlaten -zuiver om propagandistische redenen, zoals men de hotelhouder verzekerde- en verhuisde men op 3 oktober 1917 naar het dure “Het Hof van Holland”.


De Ruwe schreef daarover: “Het is een gemoedelijk zaaltje, dat afgeschut kan worden. Kalmte van de leden zal met het oog op de logés boven noodzakelijk zijn. Omtrent verwarming is niet beslist te zeggen, of deze al dan niet inbegrepen is bij de voorwaarden. Per avond zal betaald moeten worden f 2,50. Met het oog op de kosten is geconditioneerd van 1 Oct. tot einde April. Op andere Woensdagen of bij verhindering in het clublokaal zal geschaakt worden in de restauratiezaal. Wegens de tijdsomstandigheden [Eerste Wereldoorlog, P.] met haar kolen- en lichtschaarste zal geven en nemen voorshands het wachtwoord zijn”. Niettemin schreef de Ruwe in zijn verslag over het verenigingsjaar 1917/1918 in positieve zin: “Brandstoffenschaarste, gerantsoeneerde speeltijden, lichtbezuiniging drukten in het vervlogen seizoen op het verloop haar eigenaardigen stempel, doch over het algemeen niet op een ingrijpende, storende wijze. Immers, sinds een jaar is de club gevestigd in het Hof van Holland en al heeft ze zoogenaamd een eigen lokaal, meestentijds waren de bijeenkomsten er bezijden, in de gezellige ruimte, waar billardballen klotsen, kaarten worden geschut, kranten gelezen, een praatje wordt gemaakt en ieder willekeurig bezoeker naar het lichaam gelaafd en voor zoover ze er zijn met spijzen wordt verzadigd. Dit alles op voor het spel weinig hinderlijke manier. Afgaande op de ontstentenis aan klachten, mag geboekstaafd, dat het den Heeren ondanks de tijdsomstandigheden niet onwelkom is in het Hof zulk een aangenaam onderkomen te hebben gevonden. Zelfs doet zich het heuglijk verschijnsel voor, dat het ledental steeg van 20 op 32.” Of dit het gevolg was van de “propagandistische waarde” van het “Hof van Holland” dan wel een oorlogsverschijnsel, is de vraag; ook in de Tweede Wereldoorlog maakte het HSG een sterke ledengroei door. Een minpuntje betrof de toestand van het materiaal: “Het is aan het Bestuur gebleken, dat inzonderheid de stukken het in het “Hof van Holland” te verantwoorden hebben. Aan de leden het vriendelijk verzoek bij het einde van het spel de stukken op te bergen in de bijbehoorende doos. Ze raken dan niet weg en niet doorelkander, zoodat ten slotte de Heeren zelf gerief van hun voorzorg hebben”. Toch kreeg de kelner nog een fooi van f 10,– voor het opbergen van borden en stukken, wat ook het volgende seizoen slordig gebeurde, waardoor de fooi naar f 7,50 zakte. Het was voor de leden bij binnenkomst in het “Hof van Holland” steeds een verrassing waar men moest spelen: in het gehuurde zaaltje, de foyer, de ontbijtzaal of de gelagkamer. Aan dit probleem kwam op onverwachte wijze een einde; daarover in de volgende aflevering.

Uit de schaakhistorie: de clublokalen van het HSG (2)
Op 10 maart 1920 stonden de HSG-ers op straat. Voorzitter Jhr. Laman Trip vertelde aan de vergadering één week later, dat de clubleden te veel plaats in beslag namen van de gelagkamer in het “Hof van Holland”, zodat de bedrijfsleider de verbintenis terstond beëindigd wenste te zien. De Ruwe beschreef het gebeuren in zijn jaarverslag uiteraard wat plastischer: “…., want daarginds in het wijdvermaarde Hof van Holland had de club het verbruid. Ze vroeg te veel plaats zonder een oweesche te zijn, ze deed echter den echten oweeër slippen over haar overal slingerend materiaal. Tot de baas zelf over een popje struikelde en de Kerkbrinkdictator bulderde: ‘Er zal vijandschap zijn tusschen u en mij.’ Op staanden voet moest er uit, al wat naar Caïssa riekte. Met als gevolg, dat het bestuur dezer aloude organisatie bange dagen doormaakte in Maart 1920. Want de woningnood moge groot zijn, de zalennood is nog nijpender. Blijkbaar was het Hof van Holland het stamcafé der oweeërs [= oorlogswinstmakers, enigszins vergelijkbaar met de zwarte handelaren uit de tweede wereldoorlog] geworden en deze nieuwe rijken lieten het geld rollen, wat van de schakers niet gezegd kon worden. Van Harten, de grote man van het Euwe-Aljechin-comité zei eens: “Als je een schaker op z’n kop zet, valt er nog geen dubbeltje uit!

De redding kwam uit een onverwachte, zij het dure hoek: Opmeer, die in 1904 geen plaats voor de schakers had willen inruimen, was sportminded –of meer zakenman- geworden, zoals uit nevenstaande advertentie blijkt. De in 1893 opgerichte voetbalvereniging Victoria speelde van 1907 tot 1920 op een aan de Wernerlaan gelegen veld. Men beschikte daar wel over een kleine tribune, maar niet over een kleedlokaal; verkleed werd er in de koeienstal van de nabijgelegen boerderij Rebecca van de familie Nieuwenhuizen. Deze is, omgebouwd tot woonhuis, nog te vinden op de hoek van de Frans Halslaan en de Van der Helstlaan. Voor een eliteclub als Victoria, was dit geen ideale situatie en men zal het aanbod van de inmiddels lid geworden Opmeer om hiervoor hotel Het Gooiland te gebruiken, dankbaar hebben aanvaard.

De nablijvende en/of navierende (in 1915 1-1 tegen Ajax!) supporters en spelers zullen Opmeer”s kosten wel hebben goedgemaakt. In 1920 kwam aan dit alles een einde, want toen verhuisde Victoria, evenals ”t Gooi naar het zojuist gereed gekomen Hilversumse Sportpark.

Of Opmeer van de schakers enige compensatie heeft verwacht, is de vraag, maar het HSG was ook een eliteclub en wellicht rekende hij op zakelijke contacten. Bovendien was de zaalhuur die hij vroeg niet gering: f 8,– per avond, in de zomermaanden f6,–.

Het HSG was dus weer welkom in “Het Gooiland”, dat aan de foto te zien, een flinke facelift had ondergaan en het kreeg de achterzaal ter beschikking, een prettig zaaltje, waaruit men een enkele keer werd verdreven, als er een bruiloft of partij te vieren viel. Dan moest men genoegen nemen met de gelagkamer, ooit het kraamvertrek van onze vereniging.
De sterk gestegen zaalhuur maakte een contributieverhoging onvermijdelijk, het bestuur stelde op de jaarvergadering van 13 oktober 1920 dan ook voor de contributie te verdubbelen en deze op f 10,– te stellen. De hierop volgende discussie kwam ten einde nadat oprichter Vuurmans had betoogd, dat er met het oog op de waardevermindering van het geld niets tegen het voorstel kon zijn: “f 5,– van vroeger is f 10,– van nu”. Met algemene stemmen werd het bestuursvoorstel aangenomen. Maar in het seizoen 1920/21 bedankten liefst 14 leden en liep het ledenaantal per saldo terug van 53 tot 43; de hogere contributie zal hier mede debet aan zijn geweest. De daling zette ook daarna door en op 1 oktober 1924 telde het HSG nog maar 28 leden; de penningmeester luidde de noodklok en het bestuur ging op zoek naar een goedkopere speelgelegenheid. Die werd gevonden in hotel “du Commerce” aan de Stationsstraat, voor welke lokaliteit slechts f 3,– per avond werd verlangd. Het speellokaal was wel iets kleiner, maar gezien het geslonken ledental was dit geen probleem en bovendien was het qua aankleding wat gezelliger. Opmeer, in 1921 zelf lid van het HSG geworden, bleek nu bereid het nodige water bij de wijn te doen en offreerde de achterzaal in de maanden oktober t/m april voor f 5,– per avond, in de maanden mei, juni en september voor f3,– en in juli en augustus gratis. Op 13 mei 1925 waren 20 leden ter vergadering bijeen om een keuze tussen de hotels te maken. Er ontspon zich een heftige discussie tussen “de heren van stand” en “de kruideniers”; de financiële bezwaren waren volgens eerstgenoemden met het aanbod van Opmeer niet meer van overwegende aard, terwijl hotel “Het Gooiland” te Hilversum toch een betere naam had dan hotel “du Commerce”, voor laatstgenoemden daarentegen was iedere cent er één. Er werd gestemd en de “heren” wonnen met 11-9 en dat was maar goed ook, want het ledenbestand nam weer toe en stond vijf jaar later op 50 en nog eens vijf jaar later werd de 60 gepasseerd. De achterzaal van “Het Gooiland” dreigde te klein te worden, maar er diende zich een onverwachte oplossing aan: Opmeer verkocht zijn hotel aan Buurke, hotelier van het Larense “Hamdorff”, en deze besloot “Het Gooiland” te slopen en mede op van de gemeente Hilversum gekochte grond een nieuw en groter hotel te bouwen.